Er werd gezocht naar relatief lichtgewicht oplossingen bij kantoorr dsm-firmenich om het volume te kunnen realiseren.
De lamellen in de gevel zijn van micro-beton; een dun laagje beton om een hardschuim heen (foto: Norbert van Onna)
Ronald Wenting (ABT) over ontwerpend constructeur, circulair beton en de volgende stap naar Paris Proof.
Wie met Ronald Wenting spreekt, merkt het meteen: hier zit een constructeur die denkt als ontwerper. Al ruim twee decennia werkt hij bij ABT aan projecten waarin beton niet alleen dragend is, maar richting geeft aan ruimte, beleving en duurzaamheidsambitie. Van de meanderende canyon in woongebouw Jonas’ tot de circulaire vernieuwbouw van Schouwburg Ogterop en de transformatie van het Bajeskwartier — telkens is het de constructieve ruggengraat die de architectuur vormgeeft én de milieu‑impact stuurt. Precies daar raakt Wenting aan het thema ‘Transform’ van de Concrete Design Competition 2025-2026, waar hij in de jury zit: hergebruik en materialentransitie niet als add‑on, maar als vertrekpunt van het ontwerp.
Auteur: Cindy Vissering
“Meer dan de helft van de CO₂ impact van een gebouw zit in de constructie. Als constructeur kun je dan maar één ding doen: je verantwoordelijkheid nemen,” vat Wenting zijn rol samen.
Wenting studeerde aan de TU Eindhoven zowel architectonisch als constructief ontwerp. Die dubbele vorming — ‘constructieve expressie en vormentaal’ — klinkt door in zijn carrière. In 2000 begon hij bij ABT en is daar vervolgens gebleven. Eerst diep in de techniek, vervolgens als inhoudelijk projectleider, nu is hij associate partner en senior adviseur en ontwerper van constructies. Die ene werkgever bleef interessant doordat ABT met steeds wisselende teams werkt en materiaal‑agnostisch: beton, maar net zo goed staal, glas en hout. Juist in die variëteit groeide zijn overtuiging dat de constructeur vroeg aan tafel moet zitten: niet om met rekensommen een ontwerp te bevestigen, maar om ruimtelijke kwaliteit, maakbaarheid en milieuprestatie van meet af aan mee te sturen.
Te vaak, vindt Wenting, onderschatten constructeurs hun invloed op duurzaamheid. “Naar de achterkant toe wordt je impact kleiner; in het vroege ontwerp ligt de sleutel.” Dat geldt voor materiaalkeuze, slankheid en logica van krachtsafdracht, maar net zo voor levensduurverlenging van wat er al staat: uitbreiden, optoppen, herbestemmen. In die transformatielogica is beton een bondgenoot. Hij geeft aan dat vooral kelders, onderbouwen en ter plaatse gestorte betonskeletten een schat aan restcapaciteit vormen. Door slim te analyseren wat funderingspalen, poeren en vloeren nog kunnen, ontstaat ruimte voor nieuwe programma’s zonder de milieu-impact van nieuwbouw te dragen.
Die visie voert hij ook buiten projecten: via zijn rol in de beleidscommissie Milieuprestatie (gekoppeld aan de Nationale Milieudatabase NMD) namens VN Constructeurs en NL Ingenieurs draagt hij bij aan de koers voor rekenregels en beleid die de materialentransitie moeten versnellen.
Bouwen op de bestaande stad betekent ontwerpen met wat je aantreft. Niet langer slopen, maar waarderen, beproeven, behouden — en dan pas aanvullen. Dat vraagt om kwaliteitsonderzoek en een actieve rol van de constructeur richting opdrachtgever: niet volgend, maar leidend in het herkennen van potentie.
De nieuwere bioscoop naast het historische hoofdkantoor (een Rijksmonument) werd gesloopt met behoud van de ondergrondse parkeerkelder, om plaats te maken voor een nieuwe kantoorvleugel. Door de restcapaciteit van palen en poeren vanuit de kelder te analyseren en te optimaliseren, werd de onderbouw de drager van de nieuwe uitbreiding. De winst zit niet alleen in CO₂, maar ook in bouwtijd, hinderbeperking en kostenstabiliteit.
Waar ooit de Bijlmerbajes stond, ontstaat een nieuwe stadswijk. Wenting is betrokken bij maatwerk betonconstructies voor woontorens en uitkragende volumes. Hier draait het om maakbaarheid en economische haalbaarheid binnen een ambitieuze circulaire strategie: een aantal structuren letterlijk transformeren en nieuwere gebouwen inpassen in bestaande structuren.
In Jonas’ is de betonconstructie van de meanderende canyon tegelijk ruimte‑maker en beeldbepaler. Er werd beton met hoogovencement toegepast (CEM III) en door slank te construeren werd er 30% reductie beton gerealiseerd op de betonnen onderdelen. Door vloerdiktes te variëren en het materiaal daar in te zetten waar de krachten lopen, reden er 15 betonmixers minder het bouwterrein op dan in een conventionele oplossing. Ook werd er op bepaalde delen tot 40% gerecycled grof toeslagmateriaal toegepast. Het resultaat is het eerste BREEAM Outstanding woongebouw in beton. Expressie en efficiëntie versterken elkaar in Jonas’.
Tektoniek schreef al eerder over dit duurzame project naar ontwerp van Orange Architecten: Super duurzame Walvis van beton.
In Meppel werkt Wenting aan een pioniersproject: met 40% hergebruik, 40% biobased en 80% losmaakbaarheid. De circulaire backbone van de schouwburg bestaat uit donor‑kanaalplaten en hergebruikt staal, deels geoogst uit het bestaande pand en deels elders. De bestaande, historische zaal blijft, de foyer en omgang voegt zich er omheen. De foyer is volledig ontworpen in een lichtgewicht constructie om de bestaande begane grondvloer met putringenfundering te behouden. Processen waren minstens zo uitdagend als techniek: oogstpartijen en een circulair constructiebedrijf zitten al vroeg aan tafel, terwijl aannemers nog aanbesteed moeten worden. Dat betekent voorfinancieren van materiaal, logistiek en opslag organiseren en integraal ontwerpen met de architect — meer onderzoek vooraf, maar ook lagere milieulast en unieke architectonische kansen.
Ontwerpen vanaf een blanco vel is fundamenteel anders dan werken met geoogste elementen of bestaande draagstructuren. We noemen dit ‘reversed engineering’: je moet het doen met wat er is en je daarbij niet laten belemmeren. Je ontwerpt dan ook met voorraad, afmetingen en kwaliteitscertificaten — en je regisseert logistiek, opslag en planning. Het vraagt risicobewuste creativiteit: waar past welke donor‑kanaalplaat? Kun je funderingen hergebruiken en de nieuwbouw daar logisch omheen weven?
Bij de Ziggo Dome bracht Wenting zijn expertise in prefab en in‑situ beton in. De zaal is ontworpen voor akoestiek, comfort en beleving, maar leent zich voor uiteenlopende evenementen. Hier toont beton zich precies en voorspelbaar: een materiaal dat functionele strengheid en ruimtelijke kracht kan combineren.
Ook op kleinere schaal zoekt Wenting constructieve expressie op. De Weusthagtoren in Hengelo (OV) met zijn kelkvorm laat zien hoe dunwandige constructiesystemen (een staalplaat van maar 12 mm dikte voor een toren van 23 meter) tot sterke, elegante gebaren leiden — een onderzoekende houding die hij even vanzelfsprekend op beton toepast.
Een terugkerend motief in Wentings werk is materialisering vanuit mechanica. Hij verwijst graag naar Pier Luigi Nervi: krachten volgen isostatische lijnen, dus met de vorm kun je die spanningsvelden volgen. Jarenlang dreef de praktijk richting platte, repetitieve oplossingen met minder arbeidsinzet om uitvoeringskosten te drukken. Nu materiaal schaarser wordt, kan het optimum opnieuw verschuiven: slimmere, natuurgetrouwe principes kunnen opnieuw renderen — mede dankzij digitalisering en prefab‑technieken die complexiteit beheersbaar maken.
Dat zie je terug in keuzes als variabele vloerdiktes, geoptimaliseerde wapening en slank construeren: precies genoeg materiaal op de juiste plek. Zo ontstaat architectuur die lichter is — letterlijk in gewicht én figuurlijk in voetafdruk.
“Paris Proof? Dan moet je hout.” Dat hoort Wenting vaak. Zijn antwoord: “Ook in beton kun je goed Paris Proof gebouwen realiseren, mits je op meerdere aspecten tegelijk ontwerpt. Belangrijk daarbij is dat we beton meer als een proces gaan zien in plaats van een materiaal. Favoriete kreet van mij is dan ook: ‘concrete, let’s face it, it is a process not a material,’ van A. Forty.”
Materiaalreductie door vorm
Slankere doorsneden, geoptimaliseerde rastermaten, integrale krachtswerking. Precisie‑wapenen waar nodig.
Groene betonmengsels
Met milieuvriendelijk cement en betongranulaat; binnen de norm is al veel mogelijk, buiten de standaard ligt nog meer potentie — mits we beproeven en certificeren. De GWW toont dat flinke stappen mogelijk zijn wanneer projecten onderzoekscapaciteit hebben.
Circulaire optimalisatie
Nadenken over herbruikbaarheid en losmaakbaarheid.
Proces en samenwerking
Hier loopt het nu vaak vast. De driehoek constructeur – uitvoerder – betontechnoloog moet vroeg en hecht samenwerken in het uitvoeringsproces.
Een treffend voorbeeld is Stadscampus Saxion (Enschede). In dit project hebben we bewust gestuurd op de milieu-impact van de betonmengsels. Oorspronkelijk lag er een eenvormige duurzaamheidseis voor betonmengsels met hoogovencement.
In de praktijk bleken seizoensinvloeden (winterstorten) en bekistingstijden van invloed op de mixkeuze. In dialoog werd fijn gegranuleerd hoogovencement met een hoog slakpercentage in de kelder toegepast en elders lagere percentages om de uitvoering in koudere periodes en sneller ontkisten mogelijk te maken — een gebalanceerde strategie die MPG‑winst koppelde aan bouwlogistiek. “De les die we hieruit kunnen leren: coördinatie en context leveren meer op dan het blind afvinken van één recept. Er is meer mogelijk dan wij denken!,” aldus Wenting.
Naast projecten deelt Wenting zijn inzichten als docent constructieve vormgeving (ArtEZ) en gastdocent (TU Delft). Het doel: ontwerpers en constructeurs gevoel geven voor het ontwerpen van constructies en de impact die je hiermee kan creëren.
“We zijn de pioniersfase voorbij. De urgentie is helder, het instrumentarium groeit, en de ontwerpende constructeur is onmisbaar om die versnelling waar te maken — met innovatieve technieken, en met het vertrouwen dat ook traditionele materialen kunnen meebewegen.”
In Wentings werk wordt beton niet gezien als eeuwig massief, maar als adaptieve drager: te verfijnen, te verduurzamen, te hergebruiken. Transformeren betekent dan: waarde herkennen, vorm en mechanica op elkaar afstemmen en het proces zo organiseren dat het ook economisch haalbaar is. Zo ontstaat architectuur waarin constructie de ruimte maakt — en de toekomst lichter wordt, in gewicht én in voetafdruk.