Beelden van Ruud Kuijer tentoongesteld in het Rietveld Paviljoen bij Kröller Müller Museum (foto: Rob Versluys)
Ruud Kuijer is een innovatief beeldend kunstenaar die graag werkt met ‘gewone’ materialen, waaronder beton. Al decennia lang verkent hij de mogelijkheden met beton en ontdekt hij steeds nieuwe combinaties met andere materialen en andere expressiemogelijkheden doordat het beton de exacte vorm van de bekisting overneemt.
In het kader van zijn tentoonstelling met selectie van 35 jaar werk in het Rietveld Paviljoen bij het Kröller Müller Museum in Otterlo van 23 mei tot 4 oktober 2026, ging Tektoniek in gesprek over de ontwikkeling die Ruud doormaakte met het materiaal beton.
Auteur: Cindy Vissering
“In 1984, op de Jan van Eijck Academie in Maastricht, ben ik begonnen met experimenteren met beton. Zelf zand, grind en cement mengen met een cementmolentje. Ik was vooral geïnteresseerd in het laten ‘vallen’ van het beton, een emmer beton omkiepen op een plaat, waardoor er een ongevormde vorm ontstaat, een ruwe berg van beton met een vlakke zijde en een rechthoekige uitsparing. Die vorm draaide ik dan om en zette er een andere vorm op, die voor contrast met die vorm zorgde. Het werd een serie die over de relatie tussen sokkel en beeld gaat, een basisprobleem in de beeldhouwkunst.
Deze vormen werden later ook gestort tegen een wand of in een hoek. Met die vormen kon ik stapelen en bouwen waarbij ook andere materialen – vormen van gegalvaniseerd ijzer die ook een grijze kleur hebben bijvoorbeeld, maar ook hout – een rol kregen in een sculptuur. Door de afwisseling met andere materialen werden de sculpturen meer driedimensionaal.”
“In 1992 maakte ik voor het eerst een sculptuur waarin gegalvaniseerd ijzeren delen en betonnen vormen aan elkaar gegoten werden. Geen los gestapelde delen meer, maar aan elkaar gegoten, ijzer als een soort ‘externe wapening’. Het was een serie die een nieuw soort assemblage liet zien die daarvoor alleen in ijzer bestond: abstracte sculpturen die door delen aan elkaar te lassen de ruimte ingaan. Betonnen vormen werden gegoten op de knooppunten: beton werd hierdoor als vorm – én als verbinding uitgesproken. Het beton maakt de vrije en ruimtelijke constructie mogelijk.” In Otterlo is onder andere sculptuur nr. 228 te zien.
“In 2001 ontstond de eerste grote betonnen sculptuur uit één stuk. Ik kreeg de behoefte meer duurzame sculpturen te maken die goed buiten kunnen en die in de buitenruimte goed aanwezig zijn. Interessant is dat het idee van collage of assemblage goed mogelijk is door allerlei gevonden voorwerpen in een bekisting te verbinden met andere vormen als zelf getimmerde dozen. De sculptuur uit één stuk is in de beeldhouwkunst een belangrijk uitgangspunt voor onder andere Michelangelo in de Renaissance en Brancusi in de 20e eeuw. Beton is ‘een kunstmatig gevormd gesteente met eigenschappen die overeenkomen met die van natuursteen’ leerde ik van een betontechnoloog.
De beelden van de ‘oude meesters’ ontstonden door te hakken, door materiaal weg te nemen, het werken in beton is omgekeerd hieraan. Het is verwant aan de ‘verloren was’ methode: een beeld opzetten in was, een gipsen mal eromheen maken, de was eruit stoken en brons erin gieten. De mal gaat verloren, net zoals de bekisting voor een betonnen sculptuur. Ook daar blijft geen spaan van heel.”
“Mijn bekistingen trokken de aandacht van de betonindustrie: de betontechnoloog Gerard Drost van BEFU (nu Mebin) ontwierp een groutmengsel van heel fijn grind, zand, cement en de juiste hulpstoffen om het yoghurt-achtige mengsel homogeen te houden als het een lange weg in de bekisting van soms wel 6 meter naar beneden moest afleggen. Het gevaar van ontmenging ligt dan op de loer. Het is een zelfverdichtend mengsel dat bovendien snel aantrekt waardoor de druk onderin de bekisting snel afneemt. De bekisting is een geheel van communicerende vaten. Door de soepelheid kan het beton ook omhoogkomen in vormen die daarvoor een ontluchtingsventiel hebben. Vooral de nauwe doorgangen van de ene naar de andere vorm moeten goed zijn – met alleen de benodigde wapening – om de doorstroming in de bekisting letterlijk soepel te laten verlopen.
Het maken van de bekisting is een heel precies werk. De vormen moeten op spannende wijze verbonden worden met andere vormen – dat is de artistieke opgave – tegelijkertijd moet ze technisch goed doordacht zijn: stevig genoeg en ook groot genoeg om het beton erdoor te laten vloeien. In het ontwerp, in de zoektocht naar een goed en verrassend geheel spelen deze praktische vragen steeds mee. Ook het aanbrengen van wapening is ingewikkeld en moet heel nauwkeurig gebeuren. Techniek is zeker belangrijk, maar niet doorslaggevend voor de artistieke kwaliteit. Techniek vergeet je als je naar een goed beeld staat te kijken, denk ik. Dat kan alleen als de techniek goed begrepen en beheerst is. Als deze op vanzelfsprekende wijze is toegepast.”
“Nr. 290 uit 2008 is zo’n sculptuur uit één stuk. Het beeld is de vierde van de reeks van acht Venstersculpturen. Het raam, venster, poort of doorgang zijn begrippen uit de architectuur die betekenis krijgen als sculptuur. Uitgangspunt was de standaardmaat van plaatmateriaal in de bouw 122 x 244 cm. Hiermee timmerde ik een bekisting. Steeds maakte ik een gat in de staande bekistingsplaat en gebruikte ik het reststuk elders in de bekisting voor het beeld. Als in een puzzel, maar bij voorkeur niet kloppend. Sculptuur is niet gebonden aan functie zoals architectuur: het moet de verbeelding stimuleren. Er zijn stukken weg en er worden andere stukken ingevoegd.
Voor sculptuurnr. 290 haalde ik een grote ovale vorm uit de staande plaat. In de bekisting klappen vorm en restvorm om en ze worden verbonden door zes rechthoekige platen van beton, allemaal van verschillende afmetingen. Zo ontstond – in het maken – een driedimensionaal geheel waarin vormen en open ruimten zich op vanzelfsprekende wijze afwisselen. Steeds beslissingen nemen in het maken bevordert de fantasie en het verrassende effect dat een sculptuur kan hebben.” Ook deze sculptuur is in Otterlo te zien.
“In 2008 had ik inmiddels een team bestaande uit een timmerman, lasser, vlechter en een constructeur en betontechnoloog als adviseur. Samen hadden we al vier grote betonnen sculpturen gemaakt, drie langs het Amsterdam-Rijnkanaal (dit zouden er zeven worden) en een groot werk voor het hoofdkantoor van Boskalis in Papendrecht. De beelden waren 6 tot 10 meter hoog, afmetingen waar de publieke ruimte om vraagt.
In beton kun je de dikte van vormen bepalen zoals je ze wilt hebben.
De Engelsen zeggen presence; een beter woord dan aanwezigheid vind ik. Beton is sterker aanwezig in de buitenruimte dan metaal. Het heeft met de massa van het beton te maken denk ik, de mogelijkheid van grote zware vormen die in metaal vrijwel niet te realiseren zijn.”
“Niet alleen de grote buitenruimte, ook de menselijke maat, iets meer dan manshoog, was en is heel aantrekkelijk voor me. Ik wilde naast het grote monumentale werk ook graag beelden maken voor kleinere ruimten zoals de binnentuin van het Centraal Museum in Utrecht waar ik in 2009 een tentoonstelling kreeg. Ik kon deze beelden maken omdat de financiering van het sculpturenproject Waterwerken rond was gekomen en omdat er genoeg ervaring was opgedaan nu ook dunnere, rankere vormen te gaan gieten met het soepele beton.
De Waterwerken zijn, net zoals de Venstersculpturen, beelden uit één stuk. Ze zijn samengesteld uit losse vormen in één bekisting die – verbonden door wapening en beton – uiteindelijk een monolithische structuur vormen. Ook in deze serie komen de twee tradities van collage en sculptuur uit één stuk bij elkaar.”
“Nr. 393 is een beeld uit de serie Sculptuur en wegwerpcultuur. Die serie is sinds 2005 ontstaan. Opnieuw een beeld uit één stuk. Verpakkingen uit de supermarkt zijn als mal gebruikt. Het zijn kleine sculpturen voor in huis, voor op een tafel of kast. De verpakkingen van een shampoofles of hamburgerbakje hebben de maat van onze hand. We pakken ze uit het schap en dragen ze in een tas. Via de koelkast en de kliko verlaten ze ons huis.
Het idee is ze nog één keer een nieuw leven te geven. Verpakkingen hebben soms ribbels die goede contrasten opleveren in de compositie. De sculptuur moet altijd een goed gevormd en verrassend geheel opleveren.
In het geval van nr. 393 kreeg ik het idee plastic buizen mee te gieten die je er later uit kan trekken. Door het geperforeerde beeld is een stuk touw geregen. Het touw leidt een eigen leven en nuanceert de grote vorm: je moet nu beter kijken om de verpakkingen te herkennen. Het beeld is op zijn kop gegoten. Daardoor zijn de oppervlakken aan de bovenkant extra glad.”
“Sinds vorig jaar, 2025, is de serie Zwerfsteensculpturen onderweg. Een nieuwe serie waarin natuurstenen letterlijk deel uit maken van het kunstmatig gesteente dat beton is. De natuurstenen hangen uit of drijven rond in een betonnen plaat en ondersteunen deze ook waardoor het schuine vlak ontstaat. De contrasten in vorm en ook kleur zijn heel sterk, de door de natuur ontstane vorm tegenover de streng geometrische, door denken bepaalde vorm van de vijfhoek. Heel simpel eigenlijk: het contrast bevalt me goed. Ik weet nog niet waar dit naar toe gaat, misschien moeten deze ook heel groot uitgevoerd worden. Eerst nog maar eens verder proberen. De zoektocht naar de mogelijkheden van het beton als materiaal voor beeldhouwkunst is nog niet voltooid.”