Circulaire renovatie Collegezalengebouw, Leiden
Auteur: Foka Kempenaar
Het Collegezalengebouw, alias de ‘Schotel, op het Leiden Bio Science Park is een prachtig voorbeeld van een brutalistisch ontwerp uit de jaren zeventig. Door het bestaande betonnen casco te behouden, blijft niet alleen materiaal behouden, maar ook energie en betekenis.
De renovatie laat zien hoe circulair denken en zorgvuldig bouwen samenkomen. De nieuwe, markante betonnen trap speelt daarin een centrale rol. Dit element verbindt gebouw en campus, en geeft de karakteristieke betonnen cirkel een uitnodigend gezicht.
Wie over de Einsteinweg in Leiden rijdt, ziet een opvallend gebouw opdoemen. Het cirkelvormige Collegezalengebouw trekt direct de aandacht. Het werd eind jaren zestig ontworpen door Drexhage, Sterkenburg, Bodon & Venstra en maakte deel uit van het Gorlaeus-complex.
Door zijn ronde vorm en zware betonnen structuur kreeg het al snel de bijnaam ‘de schotel’.
Veel omliggende gebouwen uit die periode zijn inmiddels verdwenen. Daardoor kwam het Collegezalengebouw steeds meer los te staan van zijn context. Ook was de universiteit van plan om op de plek van het gebouw en de omliggende ruimte het nieuwe hart van de campus van Leiden Bio Science Park te realiseren. Renovatie was nodig om het gebouw functioneel, energetisch en ruimtelijk weer te laten aansluiten op deze ambities. De Schotel is van de sloopkogel gered door Henk Hartzema, supervisor van het Bio Science Park.
Civic Architects werd vervolgens geselecteerd om de renovatie ter hand te nemen. Zij zagen al snel dat deze markante betonnen kolos kansen bood, maar ook eisen stelde. Architect Gert Kwekkeboom: “In de oorspronkelijke situatie liepen beton, staal en glas rechtstreeks door naar buiten. Dat zorgde voor forse warmteverliezen. Daarom is de onderzijde van de betonnen schotel volledig geïsoleerd.” Ook kreeg het gebouw een nieuwe gevelschil met serres en onderhoudsbalkons. Deze ingrepen verbeteren de energieprestatie en voegen gebruiksruimte toe, onder meer voor het restaurant.
Voor de nieuwe balkonring moesten openingen worden gemaakt in de rondgaande betonnen rand. Deze rand was destijds meegestort met de vloeren. “Dit vroeg om nauwkeurig constructief onderzoek en gecontroleerd zaagwerk. Uiteindelijk bleek het mogelijk om de openingen veilig in te zagen, zonder de hoofdstructuur van het gebouw aan te tasten.”
Met de nieuwe gevel is ook de uitstraling van het gebouw veranderd. Waar de oorspronkelijke gevel naar boven toe was geknikt en vooral de lucht weerspiegelde, helt de nieuwe gevel juist voorover. “Dit zorgt voor visueel contact tussen binnen en buiten. Studenten zien elkaar zitten in de serres en langs de gevel.” Het gebouw richt zich door de aanpassingen dus weer op het maaiveld. “Tegelijkertijd mistte er een duidelijke entree die dit contact ook fysiek maakte.”
Die ontbrekende schakel werd gevonden in een nieuwe, betonnen trap. Deze massieve en in het oog springende toevoeging verbindt het gebouw met het vernieuwde campusplein. “Staal of hout waren geen optie. Qua architectonisch beeld, maar vooral ook omdat de trap grote studentstromen aan moet kunnen zonder hinderlijke trillingen. Mede om die reden staat de trap los van het gebouw en heeft een eigen fundering.” Zo blijven oud en nieuw constructief onafhankelijk en wordt het bestaande casco niet extra belast.
Twee zware betonnen zijwangen begeleiden de brede trap. In het midden is een zitzone opgenomen, als integraal onderdeel van de constructie. “We wilden geen trap waar je alleen maar overheen loopt. Het moest een plek worden waar je elkaar kunt ontmoeten tussen de lessen door, als verlengstuk van het campusplein.”
Voor de trap is uitgebreid onderzoek gedaan naar het juiste betonmengsel en de gewenste afwerking. In een vroeg stadium zijn proefstukken gemaakt om verschillende toeslagmaterialen, korrelgroottes en afwerkingen te testen. “Samen met de betonleverancier zijn tijdens de uitvoering aanvullende samples gemaakt. Die hielpen ons bij het aanscherpen van onze keuzes, op basis van het daadwerkelijke resultaat.”
De trap bestaat uit een combinatie van prefab en in het werk gestorte onderdelen. De grote zijwangen zijn prefab uitgevoerd en aan de buitenzijde voorzien van verticale canalures. De schuine piloon, liggers en trapbomen zijn ter plekke gestort. “Het inhijsen van de zijwangen was een indrukwekkende en enorme logistieke operatie. De elementen waren zo groot als een vrachtwagen en zijn ’s nachts in één keer geplaatst.”
Ook de afwerking van de binnenzijde van de trap vroeg om extra aandacht. “De exacte uitstraling is niet alleen op tekening vastgelegd. Op basis van het bestek en de materiaaloverzichten is de afwerking in het werk getoetst met een proefstort en proefbewerkingen. Zo konden we nauwkeurig beoordelen hoe het beton zich gedraagt na ontkisten en hoe textuur en de kleur (samenspel tussen gepigmenteerd cement met steengruis en de hoeveelheid en grootte van het toeslagmateriaal zelf) zich ontwikkelen.”
De trap zelf is niet volledig circulair. De wens om materiaal uit de oude entree te hergebruiken bleek door planning en aanbestedingsregels niet haalbaar. “Beton blijft een materiaal met impact,” nuanceert Kwekkeboom. “De duurzaamheid en circulaire winst zit hier vooral in hoe lang het gebouw nu weer meekan. We hebben het bestaande gebouw gerespecteerd en functioneel verbeterd voor de toekomst.”
Eerder beschreef Tektoniek al hoe voortbouwen op beton een effectief circulair alternatief vormt voor sloop en nieuwbouw. Ook dit project sluit aan bij die lijn. De renovatie laat zien dat bestaande betonnen structuren vaak meer potentie hebben dan op het eerste gezicht lijkt. Door het casco te behouden en gericht te verbeteren, ontstaat ruimte voor nieuwe functies en betekenis, met minimale verspilling van materiaal en energie.
Lees ook: Voortbouwen op Beton: Duurzame Transformatie van Brutalisme